Op een dag was Co-chin de bladeren aan het verzamelen,
toen er een jonge man op haar afkwam. In zijn hand had hij een kolf van groene
maïs. De jongeman was nieuwsgierig en vroeg wat Co-chin aan het doen was.
Ze vertelde hem: ‘Ons volk lijdt honger omdat er geen maïs meer wil
groeien. We zijn gedwongen cactusbladeren te eten.’
‘Hier, eet deze kolf. Ondertussen haal ik meer maïs voor je’,
antwoordde hij. Al snel was hij terug met een grote bundel groene maïs.
Co-chin wilde graag weten waar hij zoveel maïs vandaan had.
‘Ik heb het meegenomen van mijn huis, ver in het zuiden. Daar groeit heel
veel maïs en er zijn velden vol bloemen’, legde hij uit. Het meisje
wilde graag mee om al dat moois te zien, maar ze wist zekere dat Shakok daar
niet blij mee zou zijn. De jongeman beloofde de volgende dag terug te komen met
meer maïs. Co-chin haastte zich naar huis. Haar vader en moeder waren blij
verrast. Co-chin vertelde honderd uit over haar ontmoeting met de man. ‘Het
is Miochin,’ zei vader. ‘Het is Miochin,’ zei moeder. ‘Breng
hem mee naar huis.’
De volgende dag ging Co-chin naar Miochin, de Zomergeest. Hij wachtte al op
haar en samen droegen ze de maïs naar het Acoma-dorp. Miochin werd verwelkomd
in het huis van het opperhoofd. Shakok, de wintergeest kwam ‘s avonds thuis
en wist direct dat de Zomergeest in het dorp was.
‘Ha, Miochin, ben je daar?’ Kom naar buiten en ik zal je vernietigen!’ Miochin
kwam naar buiten en terwijl hij op de Wintergeest toeliep smolt de sneeuw en
veranderde de ijzige wind in een zomerbriesje.
Shakok zei: ‘Ik wil nu niet met je vechten, maar over vier dagen. Dan vechten
we tot één van ons is verslagen.’ De beide geesten verlieten
het dorp om zich op het gevecht voor te bereiden.
Miochin vroeg zijn vriend Vuursteen, Ya-Moot, om hulp. Daarna riep hij alle
dieren op die in het zomerse land leven. De vleermuis diende als schild om hem
te beschermen tegen Shakok’s hagel. Op de derde dag stookte Yat-Moot zijn
vuren op. Ondertussen riep Shakok de hulp in van de dieren van de winter. De
ekster werd zijn schild.
Op de vierde ochtend kom men de beide geesten snel zien naderen. Vanuit het noorden
doemden grote zwarte donderwolken op, vol met sneeuw en ijs. In het zuiden gooide
Yat-Moot meer hout op de vuren, die zorgden voor warme stoom en wind. Hiermee
trok Miochin naar het slagveld. Zijn bliksem schoot uit de wolken en schroeide
het haar en de veren van Shakok’s dieren. Shakok gooide met sneeuw en ijs,
maar zijn wapens smolten. Hij moest zich keer op keer terugtrekken. Uiteindelijk
moest de Wintergeest het opgeven en hij vroeg om een wapenstilstand. De wind
ging liggen. Het hield op met sneeuwen en hagelen.
De strijders ontmoetten elkaar in het dorp. Shakok zei: ‘Zomergeest, je
hebt me verslagen. Co-chin is nu jouw vrouw.’
De beide geesten spraken af dat ze ieder een helft van het jaar kregen: Shakok
de winter, Miochin de zomer.
Daarom hebben we nu een half jaar een koud seizoen en een half jaar een warm
seizoen. |