Om
hun cultuur levend te houden en uit te dragen, kunnen de toeristen tegenwoordig
getuige zijn van sommige indiaanse voorstellingen en dansen. De voorwerpen en
vooral de cederhouten maskers die bij deze rituele dansen gebruikt worden, zijn
kunstvoorwerpen van een buitengewone esthetiek.
Wij hoefden dus niet lang na te denken om ‘ja’ te zeggen tegen een
rondreis door de Canadese Rocky Mountains en Vancouver Island, waar de natuur
gecombineerd zou worden met indiaanse cultuur. Bovendien zou de reisleiding bestaan
uit twee Canada- en indianen-kenners: Irma en Gerben!
Sea to Sky Highway
Nicole overwon haar doodsangst en kroop toch in een Boeing 757 voor de vlucht
naar Vancouver. Na een rustig begin in Vancouver en Victoria, begon onze reis
over de ‘Sea to Sky Highway’ van Vancouver naar Garibaldi Park in
het gebied van de Coast Salish indianen. Op de eerste camping hebben we, schichtig
om ons heen kijkend (er was een beer gesignaleerd!) een hele zalm op een houtvuurtje
geroosterd. Dat bracht de stemming er goed in! Na een prima nachtrust braken
we de volgende dag op, en reden we verder naar het noorden langs Whistler, Pemberton,
Lillooet, Clinton en 100 Mile House door het Bella Coola gebied. De tocht voerde
ons door de bergen en de woestijn, inclusief de karakteristieke ‘tumbleweeds’,
naar Lac la Hache. Op de camping waren we net in staat ons kampvuurtje aan te
blazen en de macaroni gaar te koken, toen het noodweer losbarstte. Opgevouwen
in de tent hebben we het pastagerecht naar binnen gelepeld.
De
volgende ochtend, na een goed ontbijt met ‘pancakes en Maple syrup’,
klommen we weer in onze Ford Explorer, op weg naar Telkwa, een dikke 600 km naar
het noorden. Telkwa zouden we enige dagen als uitvalsbasis gaan gebruiken. Het
weer was volledig opgeklaard en onze natte tenten waren in een oogwenk weer droog.
De omgeving bestond uit bos van zilverberken en miechelde van de interessante
beesten: in nabije moeras en meertje dreven parelduikers, die je, samen met de
uilen, ‘s nachts met hun doordringende roep wakker hielden. De wetenschap
dat in dit land de beren gewoon los lopen, droeg ook enigszins bij aan de slapeloosheid!
Tot nu toe hadden we nog geen beer gezien, maar Gerben verzekerde ons dat wij
niet bang hoefden te zijn dat wij deze harige jongens mis zouden lopen: hij had ‘s
nachts al beren-geluiden gehoord. De volgende dag schafte Nicole zich een joekel
van een beren-bel aan, waarvan het geklingel ons voortaan zou begeleiden op onze
hikes. Telkwa was voor ons vogelaars, met z’n ijsvogels, spechten en allerlei
ander klein vogelspul, een ware traktatie!
The river of the mist
New
Hazelton, of eigenlijk het iets noordelijker gelegen historische Ksan (‘river
of the mist’) in het gebied van de Gitsxan indianen (‘People of the
River of the Mist’) was ons volgende doel. Hier kregen we een eerste indruk
van een echte indiaanse cultuur. Het openlucht museum, met daarin een zevental
historische indiaanse woningen voorzien van totempalen en beschilderde gevels,
geeft een indrukwekkend beeld van de traditionele indiaanse huisvesting. Elk
van de woningen behoort aan een verschillende ‘clan’ (b.v. de ‘wolf-clan’ of
de ‘frog-clan’). Binnen is een uitgebreide collectie oude kunst-
en gebruiksvoorwerpen te bezichtigen.
Dezelfde
dag reden we door naar het westen langs Seven Sisters Peaks naar Terrace om vervolgens
noordwaards, over een zeer stoffige ‘dirt road’ naar New Aiyansh
en Gitwinksihikw, beide geïsoleerde indiaanse nederzettingen, te rijden.
Dit werd een tocht van zo’n 50 km hobbelen langs adembenemende meren en
moerassen, met beverdammen en visarenden. De onverharde weg ging onverwacht over
in een fonkelnieuw stuk bestrating, met links en rechts grote bergen asfalt-brokken. “Ze
zijn hier lekker aan de weg aan het werken”, merkte ik terloops op. Een
schaterlach van mijn reisgenoten was mijn deel: de hoop asfalt bleek de ‘Nisga’a
memorial lava beds’ te zijn en was hier zo’n 200 jaar geleden door
moeder natuur neergelegd...
Bij het bezoekerscentrum van het dorp bleken we net een zwarte beer te hebben
gemist. De indiaanse jongen die voor het cederhouten gebouwtje had liggen slapen,
had zich, gealarmeerd door het snuivende dier, met een bus ‘pepperspray’ in
de aanslag, in het huisje verschanst! Het werd laat in de middag op deze stralende
dag en we moesten terug, dus jammer genoeg ontbrak ons de tijd om zelf op zoek
te gaan naar de talrijke beren in deze omgeving.
Bear-alert
De
volgende dag vertrokken we, via Prince George en McBride naar Jasper National
Park. Met de auto vol benzine en een zak Okanagan-kersen op de achterbank waren
we er klaar voor! We vervolgden onze tocht over Highway 16. Deze weg is prachtig
en veel minder druk dan Highway 93 vanaf Banff. Vlak voor onze bestemming vielen
we in de prijzen: DRIE zwarte beren in de berm! Moeder wandelde onverstoorbaar
gras-grazend door, terwijl haar twee welpen een show opvoerden. Boom-klimmend
en koprollend dartelden ze achter hun moeder aan. Dit werd de fotoreportage van
ons leven! Na ongeveer een half uur besloot moederbeer dat het genoeg was, en
verdween met haar kroost in het bos. Al die tijd stonden we als enigen op de
vluchtstrook. Later zouden we merken dat dit ook anders kan: in Banff veroorzaakte
een passerende beer een volledige verkeerschaos...
Aan de voet van Mount Robson, the highest point in the Canadian Rockies, sloegen
we onze tenten op. Ook hier gold een ‘bear-alert’, ditmaal was er
een Grizzly met twee jongen gesignaleerd. Na een korte, doch steile hike nabij
Mount Robson, trokken we de volgende dag Jasper National Park binnen en streken
neer op de Wapiti camping, die zo genoemd is vanwege de talrijke Canadese edelherten
(Wapities) die zich in de omgeving ophouden. Elke ochtend werden we klokslag
half zeven gewekt door een jonge raaf, die krassend rondjes boven onze tent vloog.
Tijdens onze prachtige tochten door het bosrijke gebied, kwamen we enkele zwarte
beren tegen, soms zo dichtbij dat we ze konden ruiken! Andere dieren waar we,
soms letterlijk, niet omheen konden waren ‘bighorn’ schapen, coyotes
en enorme aantallen eekhoorns, ‘whistlers’ en ‘chipmunks’.
In een van de vele meren die we bezochten, trok een wat vreemdvormige rotspartij
onze aandacht. Na enige tijd stak het rotsblok met veel gesnuif het hoofd boven
water, zodat we in de gaten kregen dat het om een grazende eland ging. Aan de
voet van een gletsjer boven op Mount Edith Cavell, hoorden in de verte de wolven
huilen.
Spirit Island
De
woeste natuur van de Rockies was tot nu toe af te wisselen met de beschaving
in het dorp Jasper. Hier konden we onze kleren wassen en een sappige steak eten.
Deze luxe zouden we op onze volgende etappe ver achter ons laten. De kanotocht
over Maligne Lake, een 100 m diepe plas van 800 miljard liter water, omgeven
door besneeuwde bergtoppen en dennenbossen, was niet voor watjes, zo werd ons
verzekerd. En inderdaad, het vooruitzicht van 22 km kanoën rechtstreeks
de wildernis in, deed ons wel even slikken! Watjes waren wij natuurlijk niet,
dus tenten, slaapzakken en een grote zak proviand in vuilniszakken en op weg.
Al gauw werd ons duidelijk dat voor het goed besturen van een kano verregaande
samenwerking vereist is. De coördinatie tussen de twee enkele peddels moet
vlekkeloos verlopen, om een energie-verslindende dronkenmans-gang te voorkomen.
Ruzie en bekvechten werkte hier averechts... De eerste etappe van 5 km tot de ‘four
mile picnic area’ leek al onze ongetrainde reserves genadeloos op te slokken.
Een teug jus en een brok chocola brachten ons er echter verbazingwekkend snel
weer bovenop. Via ‘Spirit Island’ kwamen we uiteindelijk 8 uur na
vertrek aan op ‘Coronet Creek campsite’, aan het andere eind van
het meer. Bloedspugend
en niet meer in staat de handen boven het hoofd te heffen, ploften we neer op
de oever. Afgezien van de stalen berenkisten om het voedsel in te bewaren en
de groene ‘pit-toilet’ had deze camping geen voorzieningen. We stonden
midden in de ongerepte wildernis! Het toilet bestond uit een groene ‘troon’ boven
een gat in de grond. Een huisje eromheen was niet nodig, er kwam immers toch
niemand kijken. Zittend op deze troon voelde je je echt de koning te rijk, vooral
wanneer er op 1 m afstand een hert of een stekelvarken voorbij kwam! Het enige
nadeel aan deze drie dagen in berenland was dat we alleen macaroni met vegetarische
tomatensaus (uit een potje) mochten eten, vanwege de onaantrekkelijke geur van
dit gerecht voor onze harige vrienden. De terugtocht verliep zeer voorspoedig,
vooral omdat we onszelf koffie en taart hadden beloofd in het restaurant naast
de kano-verhuurder. Aldaar aangekomen en meurend als een bunzing bestelden we
de heerlijkheden.
Royal Museum of British Columbia
De reis ging voort over de Icefields Parkway naar Banff National Park, waar we
een hike maakten bij Lake Louise. Het werd echter tijd om terug te reizen naar
Vancouver Island, waar de indiaanse cultuur uitgebreid op het programma stond.
Door Yoho National Park, Glacier National Park en Mount Revelstoke National Park
reden we via Kamloops over Highway 1 naar Hope. De volgende dag namen we de ferry
van Vancouver naar Sidney op Vancouver Island. Op Goldstream Provincial Park,
een prachtige camping gelegen midden tussen de oeroude ceders ontmoetten we de
rest van het gezelschap waar we de komende 10 dagen mee zouden optrekken. Hoewel
de natuur van Vancouver Island adembenemend is, zouden we met dit reisgezelschap
met name aandacht besteden aan de indiaanse cultuur.
De eerste dag begon in Victoria, op de zuidelijkste punt van Vancouver Island.
In het park vóór het Royal Museum of British Colombia kregen we
uitleg over de totempalen. De verschillende stammen hebben ieder hun eigen ‘crest’,
vaak in de vorm van een dier zoals de beer, de raaf, de arend, de wolf en de
orka. De imposante collectie indiaanse kunst in het museum zelf, was de moeite
waard. Zeer indrukwekkend was het levensgrote cederhouten ‘big house’,
dat op een van de verdiepingen in het museum is opgebouwd.
Op
weg naar het noorden over Highway 1, ‘the Trans Canada Highway’ door
het gebied van de ‘Nootka’ (Nuu-chah-nulth) en de ‘Coast Salish’ indianen,
bezochten we ‘Cowichan Native Village’ in Duncan, ‘The City
of Totems’. Verder naar het noorden, ter hoogte van Parksville staken we
het eiland dwars over naar Tofino. De plaatsen op de camping aan het strand waren
wat klein bemeten voor Canadese begrippen, maar de ligging was fantastisch. De
visarenden vlogen krijsend om je oren en de wasberen pikten al het onbewaakte
eten van de picknick tafel. Ook hier werd duidelijk waarom Vancouver Island het
land van de bold eagle is. Deze ‘vliegende deuren’ zijn rijk vertegenwoordigd
op het hele eiland, maar langs de kust hebben ze ook ruimschoots mogelijkheden
om een nest te bouwen in bomen die tot aan de zee groeien. Voor de kust ondernamen
we een tocht op zoek naar de grijze walvis. Nauwelijks vertrokken kwamen we al
zeehonden en otters tegen. De schipper wist precies waar hij de grote zeezoogdieren
moest zoeken, en al snel hadden we een aantal exemplaren in het vizier. De dieren
doken dicht bij de kust naar de bodem, om zich daar te goed te doen aan de aanwezige
schelp- en andere bodemdieren. De grote, met zeepokken overdekte lijven doken
soms vlak bij de boot op, om een fontein naar dode vis ruikende adem uit te blazen.
Wanneer ze weer onderdoken, kwam de karakteristieke staart boven water. Op de
terugweg kregen we nog een bultrug te zien en talloze zeevogels, waarvan de tufted
puffin, de gekuifde papagaaiduiker, ons een rondedansje deed doen.
Na een stop in Ucluelet, waar we op de grillige rotskust naar de waanzinnig groen
en rood gekleurde zeesterren en zeeanemonen zochten, reden we terug voorbij Port
Alberni langs een van de laatste overgebleven stukken oer-regenwoud. Over een
aangelegd houten looppad kon je er een klein stukje doorheen lopen. Enorme ceders
werden afgewisseld door de hamlock, een naaldboom, die werkelijk overal over-
en doorheen groeit. Op sommige van de omgevallen eeuwenoude ceders groeien al
weer nieuwe bomen die zelf waarschijnlijk al weer honderd jaar oud zijn! De rafelige
en vezelige cederschors wordt door de indianen geoogst, zonder de boom te doden.
Er worden allerlei gebruiksvoorwerpen van gemaakt zoals kleding, dekens en manden.
Home of the Killer Whale
Tegen
het middaguur werd de dikke 300 km naar Port McNeil onderbroken door een bezoek
aan het museum in Campbell River, waar we o.a. een film over de Westkust indianen
van rond de vorige eeuwwisseling te zien kregen. Vanuit Port McNeil namen we
de ferry naar Alert Bay op Cormorant Island. In Alert Bay (home of the killer
whale), maakten we kennis met de Kwakiutl indianen en hun cultuur. We kregen
een vertederende dansvoorstelling te zien in het Big House, opgevoerd door de
jonge jeugd van het dorp. De manier waarop ze de rituele dansen opvoerden was
nog verre van volmaakt, maar Granny Ethel, een 90-jarige indiaanse oma, zag er
streng op toe dat de kinderen de voorgeschreven bewegingen en handgebaren nauwgezet
volgden. Het geheel werd begeleid door een hypnotiserend en ritmisch drumgeluid.
Later, terug in Victoria, zouden we in het Mungo Martin Big House, getuige zijn
van een professionele opvoering van een deel van de ‘Hamatsa’ dansen
door de Na’nakwala Dancers uit Alert Bay. De Hamatsa dansen zijn onderdeel
van de zogenaamde Potlach. Een ritueel feest dat dagen onafgebroken door kan
gaan.
Na een bezoek aan U’mista Cultural Centre, waar we een prachtige collectie
historische maskers en een groot aantal hedendaagse kunstvoorwerpen konden bezichtigen,
trokken we ons weer terug op de Gwakawe camping. Op het kiezelstrand, gezeten
op een aangespoelde boomstronk, werden we dronken van de meegebrachte Wild Turkey,
terwijl de zon in de zee onder ging en de zalmen in de branding boven water sprongen.
Weer terug in Victoria sloten we onze reis af met het jaarlijkse ‘First
Peoples Festival’, een festival waar gedurende drie dagen allerlei presentaties
en dansvoorstellingen werden gehouden en verhalen verteld. Daarnaast was er een
markt en kon er natuurlijk volop traditioneel indiaans gegeten worden van gerechten
als bannock (gefrituurd brood), clam chowder (mosselsoep) of op indiaanse wijze
geroosterde of gerookte zalm.
Op deze reis door Brits Columbia hebben we ontzettend veel gezien en meegemaakt
en toch hadden wij achteraf het gevoel dat we slechts even hebben kunnen ruiken
aan het puntje van de ijsberg. Het zit er dus dik in dat wij dit prachtige land
nogmaals zullen gaan bezoeken. |