baribal – indianen verhalen

Zoektocht naar arenden, beren en totems
Het land van zalm en ceder

door Marko Appel en Nicole Schreurs

 
 
 
 
 
Rondreis door BC: de Canadien Rockies en Vancouver Island. We waren er op voorbereid. De dikke fotoboeken met plaatjes van de uitgestrekte, ongerepte natuur en rijke fauna hadden onze interesse voor de westkust van Canada gewekt. Wij zijn beide fervente natuurliefhebbers en fanatieke vogelaars, dus de grote verscheidenheid aan nieuwe zoogdier- en vogelsoorten die we in het vizier zouden kunnen krijgen, deed ons het water in de mond lopen. Bovendien kon Gerben urenlang vertellen over de ‘Native Americans’. De talrijke volkeren van de westkust houden er zeer oude rituele gebruiken op na, die zij trots in ere houden.
 

Om hun cultuur levend te houden en uit te dragen, kunnen de toeristen tegenwoordig getuige zijn van sommige indiaanse voorstellingen en dansen. De voorwerpen en vooral de cederhouten maskers die bij deze rituele dansen gebruikt worden, zijn kunstvoorwerpen van een buitengewone esthetiek.
Wij hoefden dus niet lang na te denken om ‘ja’ te zeggen tegen een rondreis door de Canadese Rocky Mountains en Vancouver Island, waar de natuur gecombineerd zou worden met indiaanse cultuur. Bovendien zou de reisleiding bestaan uit twee Canada- en indianen-kenners: Irma en Gerben!

Sea to Sky Highway
Nicole overwon haar doodsangst en kroop toch in een Boeing 757 voor de vlucht naar Vancouver. Na een rustig begin in Vancouver en Victoria, begon onze reis over de ‘Sea to Sky Highway’ van Vancouver naar Garibaldi Park in het gebied van de Coast Salish indianen. Op de eerste camping hebben we, schichtig om ons heen kijkend (er was een beer gesignaleerd!) een hele zalm op een houtvuurtje geroosterd. Dat bracht de stemming er goed in! Na een prima nachtrust braken we de volgende dag op, en reden we verder naar het noorden langs Whistler, Pemberton, Lillooet, Clinton en 100 Mile House door het Bella Coola gebied. De tocht voerde ons door de bergen en de woestijn, inclusief de karakteristieke ‘tumbleweeds’, naar Lac la Hache. Op de camping waren we net in staat ons kampvuurtje aan te blazen en de macaroni gaar te koken, toen het noodweer losbarstte. Opgevouwen in de tent hebben we het pastagerecht naar binnen gelepeld.
De volgende ochtend, na een goed ontbijt met ‘pancakes en Maple syrup’, klommen we weer in onze Ford Explorer, op weg naar Telkwa, een dikke 600 km naar het noorden. Telkwa zouden we enige dagen als uitvalsbasis gaan gebruiken. Het weer was volledig opgeklaard en onze natte tenten waren in een oogwenk weer droog. De omgeving bestond uit bos van zilverberken en miechelde van de interessante beesten: in nabije moeras en meertje dreven parelduikers, die je, samen met de uilen, ‘s nachts met hun doordringende roep wakker hielden. De wetenschap dat in dit land de beren gewoon los lopen, droeg ook enigszins bij aan de slapeloosheid! Tot nu toe hadden we nog geen beer gezien, maar Gerben verzekerde ons dat wij niet bang hoefden te zijn dat wij deze harige jongens mis zouden lopen: hij had ‘s nachts al beren-geluiden gehoord. De volgende dag schafte Nicole zich een joekel van een beren-bel aan, waarvan het geklingel ons voortaan zou begeleiden op onze hikes. Telkwa was voor ons vogelaars, met z’n ijsvogels, spechten en allerlei ander klein vogelspul, een ware traktatie!

The river of the mist
New Hazelton, of eigenlijk het iets noordelijker gelegen historische Ksan (‘river of the mist’) in het gebied van de Gitsxan indianen (‘People of the River of the Mist’) was ons volgende doel. Hier kregen we een eerste indruk van een echte indiaanse cultuur. Het openlucht museum, met daarin een zevental historische indiaanse woningen voorzien van totempalen en beschilderde gevels, geeft een indrukwekkend beeld van de traditionele indiaanse huisvesting. Elk van de woningen behoort aan een verschillende ‘clan’ (b.v. de ‘wolf-clan’ of de ‘frog-clan’). Binnen is een uitgebreide collectie oude kunst- en gebruiksvoorwerpen te bezichtigen.
Dezelfde dag reden we door naar het westen langs Seven Sisters Peaks naar Terrace om vervolgens noordwaards, over een zeer stoffige ‘dirt road’ naar New Aiyansh en Gitwinksihikw, beide geïsoleerde indiaanse nederzettingen, te rijden. Dit werd een tocht van zo’n 50 km hobbelen langs adembenemende meren en moerassen, met beverdammen en visarenden. De onverharde weg ging onverwacht over in een fonkelnieuw stuk bestrating, met links en rechts grote bergen asfalt-brokken. “Ze zijn hier lekker aan de weg aan het werken”, merkte ik terloops op. Een schaterlach van mijn reisgenoten was mijn deel: de hoop asfalt bleek de ‘Nisga’a memorial lava beds’ te zijn en was hier zo’n 200 jaar geleden door moeder natuur neergelegd...
Bij het bezoekerscentrum van het dorp bleken we net een zwarte beer te hebben gemist. De indiaanse jongen die voor het cederhouten gebouwtje had liggen slapen, had zich, gealarmeerd door het snuivende dier, met een bus ‘pepperspray’ in de aanslag, in het huisje verschanst! Het werd laat in de middag op deze stralende dag en we moesten terug, dus jammer genoeg ontbrak ons de tijd om zelf op zoek te gaan naar de talrijke beren in deze omgeving.

Bear-alert
De volgende dag vertrokken we, via Prince George en McBride naar Jasper National Park. Met de auto vol benzine en een zak Okanagan-kersen op de achterbank waren we er klaar voor! We vervolgden onze tocht over Highway 16. Deze weg is prachtig en veel minder druk dan Highway 93 vanaf Banff. Vlak voor onze bestemming vielen we in de prijzen: DRIE zwarte beren in de berm! Moeder wandelde onverstoorbaar gras-grazend door, terwijl haar twee welpen een show opvoerden. Boom-klimmend en koprollend dartelden ze achter hun moeder aan. Dit werd de fotoreportage van ons leven! Na ongeveer een half uur besloot moederbeer dat het genoeg was, en verdween met haar kroost in het bos. Al die tijd stonden we als enigen op de vluchtstrook. Later zouden we merken dat dit ook anders kan: in Banff veroorzaakte een passerende beer een volledige verkeerschaos...
Aan de voet van Mount Robson, the highest point in the Canadian Rockies, sloegen we onze tenten op. Ook hier gold een ‘bear-alert’, ditmaal was er een Grizzly met twee jongen gesignaleerd. Na een korte, doch steile hike nabij Mount Robson, trokken we de volgende dag Jasper National Park binnen en streken neer op de Wapiti camping, die zo genoemd is vanwege de talrijke Canadese edelherten (Wapities) die zich in de omgeving ophouden. Elke ochtend werden we klokslag half zeven gewekt door een jonge raaf, die krassend rondjes boven onze tent vloog. Tijdens onze prachtige tochten door het bosrijke gebied, kwamen we enkele zwarte beren tegen, soms zo dichtbij dat we ze konden ruiken! Andere dieren waar we, soms letterlijk, niet omheen konden waren ‘bighorn’ schapen, coyotes en enorme aantallen eekhoorns, ‘whistlers’ en ‘chipmunks’. In een van de vele meren die we bezochten, trok een wat vreemdvormige rotspartij onze aandacht. Na enige tijd stak het rotsblok met veel gesnuif het hoofd boven water, zodat we in de gaten kregen dat het om een grazende eland ging. Aan de voet van een gletsjer boven op Mount Edith Cavell, hoorden in de verte de wolven huilen.

Spirit Island
De woeste natuur van de Rockies was tot nu toe af te wisselen met de beschaving in het dorp Jasper. Hier konden we onze kleren wassen en een sappige steak eten. Deze luxe zouden we op onze volgende etappe ver achter ons laten. De kanotocht over Maligne Lake, een 100 m diepe plas van 800 miljard liter water, omgeven door besneeuwde bergtoppen en dennenbossen, was niet voor watjes, zo werd ons verzekerd. En inderdaad, het vooruitzicht van 22 km kanoën rechtstreeks de wildernis in, deed ons wel even slikken! Watjes waren wij natuurlijk niet, dus tenten, slaapzakken en een grote zak proviand in vuilniszakken en op weg. Al gauw werd ons duidelijk dat voor het goed besturen van een kano verregaande samenwerking vereist is. De coördinatie tussen de twee enkele peddels moet vlekkeloos verlopen, om een energie-verslindende dronkenmans-gang te voorkomen. Ruzie en bekvechten werkte hier averechts... De eerste etappe van 5 km tot de ‘four mile picnic area’ leek al onze ongetrainde reserves genadeloos op te slokken. Een teug jus en een brok chocola brachten ons er echter verbazingwekkend snel weer bovenop. Via ‘Spirit Island’ kwamen we uiteindelijk 8 uur na vertrek aan op ‘Coronet Creek campsite’, aan het andere eind van het meer. Bloedspugend en niet meer in staat de handen boven het hoofd te heffen, ploften we neer op de oever. Afgezien van de stalen berenkisten om het voedsel in te bewaren en de groene ‘pit-toilet’ had deze camping geen voorzieningen. We stonden midden in de ongerepte wildernis! Het toilet bestond uit een groene ‘troon’ boven een gat in de grond. Een huisje eromheen was niet nodig, er kwam immers toch niemand kijken. Zittend op deze troon voelde je je echt de koning te rijk, vooral wanneer er op 1 m afstand een hert of een stekelvarken voorbij kwam! Het enige nadeel aan deze drie dagen in berenland was dat we alleen macaroni met vegetarische tomatensaus (uit een potje) mochten eten, vanwege de onaantrekkelijke geur van dit gerecht voor onze harige vrienden. De terugtocht verliep zeer voorspoedig, vooral omdat we onszelf koffie en taart hadden beloofd in het restaurant naast de kano-verhuurder. Aldaar aangekomen en meurend als een bunzing bestelden we de heerlijkheden.

Royal Museum of British Columbia
De reis ging voort over de Icefields Parkway naar Banff National Park, waar we een hike maakten bij Lake Louise. Het werd echter tijd om terug te reizen naar Vancouver Island, waar de indiaanse cultuur uitgebreid op het programma stond. Door Yoho National Park, Glacier National Park en Mount Revelstoke National Park reden we via Kamloops over Highway 1 naar Hope. De volgende dag namen we de ferry van Vancouver naar Sidney op Vancouver Island. Op Goldstream Provincial Park, een prachtige camping gelegen midden tussen de oeroude ceders ontmoetten we de rest van het gezelschap waar we de komende 10 dagen mee zouden optrekken. Hoewel de natuur van Vancouver Island adembenemend is, zouden we met dit reisgezelschap met name aandacht besteden aan de indiaanse cultuur.
De eerste dag begon in Victoria, op de zuidelijkste punt van Vancouver Island. In het park vóór het Royal Museum of British Colombia kregen we uitleg over de totempalen. De verschillende stammen hebben ieder hun eigen ‘crest’, vaak in de vorm van een dier zoals de beer, de raaf, de arend, de wolf en de orka. De imposante collectie indiaanse kunst in het museum zelf, was de moeite waard. Zeer indrukwekkend was het levensgrote cederhouten ‘big house’, dat op een van de verdiepingen in het museum is opgebouwd.
Op weg naar het noorden over Highway 1, ‘the Trans Canada Highway’ door het gebied van de ‘Nootka’ (Nuu-chah-nulth) en de ‘Coast Salish’ indianen, bezochten we ‘Cowichan Native Village’ in Duncan, ‘The City of Totems’. Verder naar het noorden, ter hoogte van Parksville staken we het eiland dwars over naar Tofino. De plaatsen op de camping aan het strand waren wat klein bemeten voor Canadese begrippen, maar de ligging was fantastisch. De visarenden vlogen krijsend om je oren en de wasberen pikten al het onbewaakte eten van de picknick tafel. Ook hier werd duidelijk waarom Vancouver Island het land van de bold eagle is. Deze ‘vliegende deuren’ zijn rijk vertegenwoordigd op het hele eiland, maar langs de kust hebben ze ook ruimschoots mogelijkheden om een nest te bouwen in bomen die tot aan de zee groeien. Voor de kust ondernamen we een tocht op zoek naar de grijze walvis. Nauwelijks vertrokken kwamen we al zeehonden en otters tegen. De schipper wist precies waar hij de grote zeezoogdieren moest zoeken, en al snel hadden we een aantal exemplaren in het vizier. De dieren doken dicht bij de kust naar de bodem, om zich daar te goed te doen aan de aanwezige schelp- en andere bodemdieren. De grote, met zeepokken overdekte lijven doken soms vlak bij de boot op, om een fontein naar dode vis ruikende adem uit te blazen. Wanneer ze weer onderdoken, kwam de karakteristieke staart boven water. Op de terugweg kregen we nog een bultrug te zien en talloze zeevogels, waarvan de tufted puffin, de gekuifde papagaaiduiker, ons een rondedansje deed doen.
Na een stop in Ucluelet, waar we op de grillige rotskust naar de waanzinnig groen en rood gekleurde zeesterren en zeeanemonen zochten, reden we terug voorbij Port Alberni langs een van de laatste overgebleven stukken oer-regenwoud. Over een aangelegd houten looppad kon je er een klein stukje doorheen lopen. Enorme ceders werden afgewisseld door de hamlock, een naaldboom, die werkelijk overal over- en doorheen groeit. Op sommige van de omgevallen eeuwenoude ceders groeien al weer nieuwe bomen die zelf waarschijnlijk al weer honderd jaar oud zijn! De rafelige en vezelige cederschors wordt door de indianen geoogst, zonder de boom te doden. Er worden allerlei gebruiksvoorwerpen van gemaakt zoals kleding, dekens en manden.

Home of the Killer Whale
Tegen het middaguur werd de dikke 300 km naar Port McNeil onderbroken door een bezoek aan het museum in Campbell River, waar we o.a. een film over de Westkust indianen van rond de vorige eeuwwisseling te zien kregen. Vanuit Port McNeil namen we de ferry naar Alert Bay op Cormorant Island. In Alert Bay (home of the killer whale), maakten we kennis met de Kwakiutl indianen en hun cultuur. We kregen een vertederende dansvoorstelling te zien in het Big House, opgevoerd door de jonge jeugd van het dorp. De manier waarop ze de rituele dansen opvoerden was nog verre van volmaakt, maar Granny Ethel, een 90-jarige indiaanse oma, zag er streng op toe dat de kinderen de voorgeschreven bewegingen en handgebaren nauwgezet volgden. Het geheel werd begeleid door een hypnotiserend en ritmisch drumgeluid. Later, terug in Victoria, zouden we in het Mungo Martin Big House, getuige zijn van een professionele opvoering van een deel van de ‘Hamatsa’ dansen door de Na’nakwala Dancers uit Alert Bay. De Hamatsa dansen zijn onderdeel van de zogenaamde Potlach. Een ritueel feest dat dagen onafgebroken door kan gaan.
Na een bezoek aan U’mista Cultural Centre, waar we een prachtige collectie historische maskers en een groot aantal hedendaagse kunstvoorwerpen konden bezichtigen, trokken we ons weer terug op de Gwakawe camping. Op het kiezelstrand, gezeten op een aangespoelde boomstronk, werden we dronken van de meegebrachte Wild Turkey, terwijl de zon in de zee onder ging en de zalmen in de branding boven water sprongen.
Weer terug in Victoria sloten we onze reis af met het jaarlijkse ‘First Peoples Festival’, een festival waar gedurende drie dagen allerlei presentaties en dansvoorstellingen werden gehouden en verhalen verteld. Daarnaast was er een markt en kon er natuurlijk volop traditioneel indiaans gegeten worden van gerechten als bannock (gefrituurd brood), clam chowder (mosselsoep) of op indiaanse wijze geroosterde of gerookte zalm.
Op deze reis door Brits Columbia hebben we ontzettend veel gezien en meegemaakt en toch hadden wij achteraf het gevoel dat we slechts even hebben kunnen ruiken aan het puntje van de ijsberg. Het zit er dus dik in dat wij dit prachtige land nogmaals zullen gaan bezoeken.

 
Wereldmuseum Rotterdam
Umista
Stichting AAP
         
     
wil je lid worden? klik dan hier
 
   

©1999-2008 Copyright Walas Media bv – Alle rechten voorbehouden – E-mail: berichten@baribal.nl
Hoofdredactie: Irma Verhoeven – Indiaans beschermheer: Joe Wilson – Medewerkers: Aurora, U’mista, Wa Kes, Gerben van Straaten, Ellen van den Beld, Andra Limmen, Henk de Roos, Joe Wilson, www.5over5.nl – Marketing: walas media – sitebouw door webconcepts