Raaf kreeg er na lange tijd schoon genoeg van in het donker
te moeten leven. Hij vloog voortdurend tegen van alles en nog wat aan en zijn
vel deed pijn van de builen en de schrammen. Het was een heel gedoe om aan voedsel
te komen. Soms was het gewoon een wonder, dat hij wat te eten had. Het geweeklaag
van de andere dieren was hij zat. Niemand wist hoe lang deze toestand nu al duurde.
Het was altijd donker en er waren geen dagen om te tellen. Niemand wist nog iets
van tijd. Raaf besloot de zon te zoeken en terug te geven aan de wereld. Hij
nam zich voor de zaak van de mysterieuze duisternis eens goed op te helderen.
Raaf
had toverkracht en kon gemakkelijk van gedaante veranderen. Hij veranderde zichzelf
in een dennennaald en liet zich meedrijven op de rivier naar de plaats waar de
dochter van de oude man altijd water haalde. Raaf dreef eerst wat rond en werd
na een poosje door de prinses opgeschept in een kom water. Zij dronk het water
met grote teugen en ze slikte ook Raaf, de dennennaald, in . In de buik van de
vrouw groeide de dennennaald uit tot een jongetje. Raaf, het mensenjongetje,
werd uiteindelijk geboren als zoon van de prinses en kleinzoon van het oude opperhoofd.
Zoals elk klein jongetje wist Raaf zijn moeder en opa te vertederen. Hij bracht
veel warmte in het leven van de oude man, die door de duisternis alleen maar
somberder was geworden. Het jongetje speelde veel met zijn grootvader. Raaf had
in het huis de grote kist gevoeld en aan de oude man gevraagd wat erin zat. In
de kist zat nog een kist en weer een kist en nog weer een kist. Er waren duizend
kisten in elkaar en in de kleinste zat een geheim, zo vertelde de man.
Raaf wist meteen, dat dit het geheim van de duisternis moest zijn. Hij moest
ervoor zorgen, dat zijn machtige grootvader de kisten voor hem zou openen.
Raaf vroeg: "Grootvader, mag ik van u één deksel lichten?"
De oude man weigerde nors, maar zijn kleinzoon wist hoe hij hem moest vertederen.
Hij speelde slim en praatte schrander en verleidde zo zijn opa om van de buitenste
kist het deksel te lichten.
De dag erna vroeg Raaf weer: "Grootvader, mag ik van u één
deksel lichten?"
Het opperhoofd weigerde opnieuw en Raaf, zijn kleinzoon, wist opnieuw de oude
man te vertederen. Hij speelde slim en praatte schrander en verleidde zo zijn
opa om van de tweede kist het deksel te lichten.
Diezelfde avond nog herhaalde Raaf, het jongetje, het spel. Hij vroeg: "Grootvader,
mag ik van u één deksel lichten?"
De oude man weigerde andermaal, maar zijn kleinzoon wist hem telkens weer te
vertederen. Hij speelde slim en praatte schrander en verleidde zo zijn opa om
van de derde kist het deksel te lichten.
En zo ging het weken door. Het jongetje vroeg braaf of hij weer een deksel mocht
lichten. De oude man weigerde elke keer, maar zijn kleinzoon speelde slim en
praatte schrander en verleidde zo zijn opa om van kist na kist na kist het deksel
te lichten.
Na lange tijd, al wist niemand precies hoe lang, wist Raaf, het jongetje,
het laatste van de duizend deksels te lichten. Daar lag de zon te schitteren.
Raaf veranderde zichzelf van een jongetje in een reuzenraaf. Hij pakte de zon
in zijn snavel en vloog ermee hoog in de lucht. Daar zette hij de zon weer op
haar plaats en gaf zo het licht terug aan alle wezens. Daarmee gaf hij licht,
tijd, warmte en geluk aan alles wat leeft. |