Yel, de Raaf
Een
vriendelijk lachend zonnetje kriebelt Namoek in zijn nek. De kleine baribal ligt
druipend op een boomstam op de oever van Wa, de rivier. Hij ligt lekker op zijn
buik. Zijn armen hangen lui naar beneden. Het is heerlijk warm. De hele nacht
was het koud en hij heeft ook nog eens naar gedroomd.
‘Bah’, denkt Namoek, ‘wat een nare nacht. Gelukkig is die boze
droom nu voorbij.’
Hij bromt eens, maar houdt zijn ogen stijf gesloten. In zijn droom was hij bijna
verdronken. Nu ligt hij hier zo fijn. Hij wil nog niet wakker worden. Hij smikkelt
met zijn tong rond zijn snuit en proeft lekker fris water. Mmm. Ze hebben weer
eens in de regen liggen slapen. Hij kan het zich niet goed meer herinneren.
Er kriebelt iets in zijn nek. Dat doet Nola zeker. Namoek schuifelt wat en gromt
dat zijn broer moet ophouden. Het gekriebel in zijn nek gaat door. Zijn vacht
wordt er helemaal warm van. Langzaam dringt er een geruis in zijn oor, dat hem
nog niet was opgevallen. Het lijkt wel of het hard waait. Of nee, het lijkt wel
of er duizend herten door het struikgewas lopen. Of nee, het lijkt wel op een
miljoen zoemende muggen. Of nee, het lijkt wel op... op... ‘Wa!’,
schreeuwt Namoek. Hij springt overeind, alsof hij door een bij is gestoken. Verschrikt
kijkt hij om zich heen. Het is de rivier die zo ruist. Verderop valt het water
van hoge rotsen in zichzelf en bruist luidruchtig. Namoek rent langs de oevers: ‘Mam!...
Nola! Doe niet zo flauw!’
Hij luistert, maar er gebeurt niets. Dan herinnert hij zich het vissen. Hij was
onvoorzichtig en de rivier sleurde hem mee. Dat duurde lang en Wa ging pijlsnel.
Die plek is nu vast ver weg. Namoek roept nog eens... Niets. Hij is zijn familie
kwijtgeraakt! Droevig gaat hij bij een boom liggen met zijn snuit tussen zijn
poten. Er zit iets verdrietigs in zijn keel, maar hij wil flink zijn. Er zit
ook al iets verdrietigs in zijn buik. Hij zucht diep.
‘Kroak’ klinkt het ergens, ‘kroak, krokkrok, kroak!’ Namoek
tilt zijn hoofd op en kijkt om zich heen. Daar klinkt het al weer. ‘Kroak!’ Hij
staat op en snuffelt langs de grond. Op een grote steen ziet hij een gitzwarte
kikker. ‘Kroak’, zegt die, ‘suffe zwembeer’.
Namoek kijkt sip en vraagt beledigd: ‘wie ben jij eigenlijk?’
‘Krok. Ik ben niet wie ik ben en wel wie ik niet ben, kroak, maar ik ben
wel wie ik nu moet zijn.’
Het zwarte beertje knijpt zijn ogen dicht en denkt na. Hij begrijpt, dat hij
er niets van begrijpt. Hij doet zijn ogen weer open en de kikker is verdwenen.
Waar de kikker heeft gezeten ligt een gitzwarte veer. Namoek begrijpt nu nog
minder dan niets. Boven zijn hoofd klinkt weer: ‘kroak...kroak’.
Hij kijkt omhoog. ‘Krok, kroak’, klinkt het weer. Een wit poepje
valt uit een boom voor hem op de grond. Op zijn achterpoten staand tuurt hij
omhoog. Daar ziet hij een grote zwarte vogel met een krachtige, hoekige snavel.
‘Dag, baribal’, krokt hij, ‘ik ben Yel, ik ben Raaf. Jij bent
Namoek en je mag raden hoe ik dat weet. Ik ben Raaf, ik ben Yel en ik kan wat
ik wil, van alles alles en van niets niets. Want ik ben Raaf, ik ben Yel.’
‘Wel, meneer Raaf, euh Yel, bedoel ik’, stamelt Namoek, ‘ik
wil naar huis, maar ik weet niet waar dat is.’
‘Kroak’, zegt Yel, ‘allicht niet, beertje. Vraag maar, misschien
vertel ik het wel.’
Als je de toegangscodes hebt (alleen baribal-leden) kun je hier
klikken om
naar het volgende verhaal te gaan.
|