Wa, de Rivier
De nachten worden langer en slurpen steeds meer daglicht. Het bos is nat.
Het is herfst en het regent haast onophoudelijk. Moederbeer Akla zoekt een weg
naar de grote rivier, waar nu de zalmen zijn. Drie beertjes buitelen vrolijk
achter haar aan. Het bos tikkelt grappig door druppels op het dak van bladeren.
Akla likt af en toe langs grote varens en drinkt zo wat frisse regen. Gena, haar
lichtbruine dochter, blijft een beetje in haar buurt. Haar broertjes stoeien
zo wild, dat ze liever bescherming bij moeder zoekt. Akla bromt. Ze wil opschieten.
Voor het winter wordt wil ze zoveel mogelijk zalm eten. Haar jongens beseffen
niet hoe belangrijk het is voor een beer om op tijd veel te eten.
Nola, haar
oudste, is gitzwart en stoer. Hij durft de gevaarlijkste dingen en klimt overal
bovenop. Namoek, de jongste, is bijna helemaal zwart. Op zijn borst zit een grote
witte vlek. Vaak is hij jaloers, omdat Nola zoveel durft en Gena zo slim is.
Ze lopen stevig door. Nola probeert een blauwe gaai te pakken, maar die vliegt
krijsend in een cederboom. Hij klimt behendig achter de vogel aan en moet dan
hard rennen om de anderen weer in te halen.
Akla bromt boos: ‘Straks verdwalen
jullie nog! Jullie moeten beter opletten. Er is echt geen tijd om elkaar te zoeken.
Ik wil vanmiddag nog bij Wa zijn.’
Namoek kijkt sip. Hij heeft toch niets
gedaan? Gena huppelt vooruit en vraagt: ‘Wie
is dat, Wa?’
‘Wa? Dat is de rivier, jongens. Wa geeft ons eten en
is als een arm van de Koning der Zee. Stil eens even! ...Ik hoor Wa al! Daar,
in de verte, tussen de bomen door.’
Akla gaat sneller lopen. Het is nog
maar een klein stukje. Ze wringen zich door de struiken. Daar ligt Wa met veel
lawaai tussen de rotsen te spartelen. Zijn water is wit en spat nu en dan hoog
op. Wa stroomt met veel geweld vanuit de bergen naar zee. De vier beren zijn
erg onder de indruk. Af en toe zien ze uit het wilde water grote vissen springen.
Het zijn zalmen op zoek naar de plek waar ze zijn geboren. Beren, arenden en
andere dieren proberen hen te vangen. Wolven lopen onrustig een plekje te zoeken.
Akla klautert over gladde stenen het water in. Ze slaat met haar voorpoot naar
de zalmen. Het lukt haar een grote vis te vangen, die ze meteen oppeuzelt. Ze
lacht naar de kinderen: ‘De
volgende is voor jullie hoor.’
Nola en Namoek springen opgetogen langs de
oever. Wat spannend, hè?
Namoek wil ook vissen. Hij gaat in het water staan. Hij zal Nola eens laten zien
wat hij durft. Het water is koud en Wa is machtig en sterk. Namoek slaat onhandig
in het water. Vissen is moeilijk. Hij verliest bijna zijn evenwicht. Gena jammert
geschrokken en Akla kijkt boos op. ‘Namoek!’, roept ze van verre, ‘Voorzichtig!
Ga daar weg!’
Het is al te laat. Namoek ziet een lekkere oranje zalm en
gaat nog verder het water in. Als hij zijn poot optilt om de vis met een flinke
tik uit het water te meppen, glijdt hij van de glibberige stenen in de wilde
rivier. Uit alle macht probeert hij te zwemmen, maar Wa sleurt hem razendsnel
mee. Hij proest en hoest. Even komt hij boven water en ziet in de verte zijn
familie in paniek roepen en zwaaien. Dan trekt Wa hem weer onder. Namoek wordt
koud en slaperig. Langzaam verliest hij het bewustzijn.
Klik hier om naar het volgende verhaal van Namoek te gaan. |